Getuigenissen textielverleden

'Vanaf mijn zestiende (in 1946) begon ik te werken bij naaigarenfabrikant Vanneste-Verwee op de Oude Heerweg 129 in Deerlijk. Het bedrijf had meerdere ververijen, pakmachines en bobijnmakers. Ik werkte er als bediende op het bureel preparatie en had ongeveer 35 man personeel onder mij. Niet gemakkelijk als vrouw. Op dat moment werkten er in totaal ongeveer 200 mensen. De schoorsteen, waarop VNV stond, leverde voor de werkmensen de bijnaam 'Voor Niemand Veel' op. Ik was als vrouw echt aan de slag in een mannenwereld. Zo vroegen ze mij op een bepaald moment om op een ladder te klimmen om iets te controleren op het dak, gewoon om onder mijn rok te kunnen kijken. Vanaf dat moment droeg ik niets anders meer dan broeken!! Ik heb er in totaal meer dan veertig jaar gewerkt.'

'Mijn beide ouders werkten allebei voor de Kortrijkse katoenspinnerij. De helft van Stasegem werkte daar. En de rest kwam uit de streek van Ledegem met bussen iedere dag. Er werd gewerkt in drie ploegen, in totaal meer dan achthonderd mensen. Na veertig jaar dienst kreeg mijn vader een gouden horloge cadeau, ‘een echte tissot’. Dat mocht wel, de lonen waren nu ook niet om over naar huis te schrijven... Textiel was dan ook niet van de hoogste betalers. Wie kon, ging naar Bekaert. Ook mijn moeder werkte er voltijds en combineerde dit met drie kinderen. Geen evidentie toen!' 

'Ik werkte in verschillende textielbedrijven als monteur. Zo werkte ik in Dekien in Kortrijk, de Witte Vissage in Marke en De Witte Litaer. In die laatste ben ik door een technische fout een vinger kwijt geraakt op het moment dat ik in een andere sectie dan gewoonlijk iets moest vervangen. Ik zat hierdoor vier maanden thuis als invalide. Niet veel later ben ik dan ook gestopt als monteur. Ik voelde ook wel dat alle ‘oudere’ mensen stilaan afgedankt werden en wilde de eer aan mezelf houden. Ik heb mij uiteindelijk nog omgeschoold als technieker en heb de laatste jaren van mijn loopbaan in het lokale zwembad gewerkt.'

'Ik ben heel mijn leven bobijnster geweest. Ik ben begonnen bij Steverlynck en daarna bij Byttebier. Ik ben begonnen toen ik veertien jaar was, in 1953. Toen was ik nog een jong meisje. Toen mijn kinderen geboren zijn, ben ik negen jaar gestopt om voor hen te zorgen. Daarna ben ik terug begonnen, tot aan mijn pensioen. Ik was ook aangesloten bij het ACV in Vichte. Dat was voornamelijk voor textiel, maar ook hout en bouw. Dat waren allemaal verschillende verbonden. (...) De hoogdag voor de textielindustrie was ongetwijfeld weversmisdag. Op die dag werd er niet gewerkt maar was het feest. Voor het ACV was dit de dag om om stand van zaken in de sector op te maken. Op Weversmisdag ben ik eens textielprinses geweest! Ik had mij daar niet zelf voor opgegeven, dat wordt vrijwillig gekozen. Je kon wel maar één keer verkozen worden. Tijdens de weversmisdag kreeg iedereen een briefje en daar moest je twee namen op schrijven. Een voor de eredeken en een voor de textielprinses. De stemmen werden geteld en er werd gekeken wie er de meeste had. Er werd daar natuurlijk wel een beetje mee gefoefeld... Iedereen sprak een beetje samen af voor wie ze gingen stemmen. Hoe zag zo'n dag eruit? Voor de vrouwen was er 's morgens een koffietafel, die drinken natuurlijk geen bier vanaf 's morgens. Op dat moment waren de mannen en de vrouwen apart. De dag begon met de mis, iedereen ging daar naartoe. De preek werd voor de gelegenheid aangepast. Na de mis gingen we in stoet naar de gilde. Dat was met de vlag van het ACV voorop. Daarna kregen we iets om te drinken, bier voor de mannen en koffie voor de vrouwen. Daar kregen we een blaadje om te stemmen voor eredeken en textielprinses. De blaadjes werden weer opgehaald voor de echte vergadering begon. Dat was met toespraken van de lokale voorzitter, over alles dat er in het textiel gebeurde. De andere sprekers waren vooral propagandisten van het ACV. Al het belang van de werkmensen, als er op bepaalde plaatsen problemen waren, werd dat ook besproken. Daarna was er een gratis tombola van allerlei kleine dingen (een pak koffie, een fles wijn, een doos pralines...), gevolgd door de uitreiking van eredeken en textielprinses. Als je werd afgeroepen, moest je naar voor gaan en kreeg je iets. Je moest daar niets voor doen, geen speech geven of zo. Dat was gewoon voor de feestelijkheden. Op het einde kon iedereen blijven eten. Weversmisdag was een tradtitie van jaren. Dat was in alle gemeenten een beetje hetzelfde, een trend. Ik heb die evolutie meegemaakt als jong meisje, ik heb dat echt zien groeien. In het begin was dat zeer miniem. Later ben ik ook nog een paar keer naar de West-Vlaamse textieldagen geweest. Dat was dan drie dagen met heel veel tentoonstellingen, huldigingen.'