Vlasnijverheid

ambachten

De vlasnijverheid vormt een rode draad doorheen de sociale en economische geschiedenis van Zuid-West-Vlaanderen. De industrie drukte zijn stempel op het landschap van de streek: in de streek kom je roterijen, zwingelarijen en vlassershuisjes tegen. Maar ook vlaswerktuigen worden bewaard en liederen en tradities leven verder. De volgroeide vezels van het vlas, een vezelplant die vooral in een mild en vochtig klimaat en in vruchtbare bodems gedijt, heeft enkele belangrijke eigenschappen. De vezels zijn uitermate sterk, vochtabsorberend, warmte-isolerend en hittebestendig. Door het roten en zwingelen kunnen de vezels van de tengel gescheiden worden. De vlasnijverheid zette de streek rond Kortrijk in de 19de eeuw op de wereldkaart. Als reactie op de landbouwcrisis in het midden van de 19de eeuw legden vele Zuid-West-Vlaamse boerenzonen zich toe op de bewerking van vlas. Binnen de vlassersgemeenschap kwam een uniek economisch netwerk van fabrikanten, arbeiders, botenkopers en verzenders tot stand. De streek was niet alleen een teeltgebied voor vlas maar dankte vooral haar reputatie aan de specifieke productie van de vezels. De nabijheid van Leie en Mandel lieten het roten, het blootstellen van de plant aan water zodat de vezels loskomen, in stromend water toe. Deze werkwijze garandeerde hoogwaardige witte vezels met een grote buitenlandse afzetmarkt. In Kortrijk verrezen buitenlandse exporthuizen. De vlasarbeid bracht een grote welvaart naar de streek, de Leie kreeg de naam Golden River, de streek staat nog steeds gekend als het Texas van Vlaanderen. In 1930 bevond 85 procent van de Belgische vlasnijverheid zich aan de boorden van de Leie en de Mandel, in 1947 beschikte de streek over 98 procent van de Belgische rootcapaciteit. Bron: Brecht Dewaele, Vlasparlee, Brugge, 2013.

Vlasnijverheid (c) Beeldbank Kortrijk

op kaart | volledige kaart